De buurtschappen van Winterswijk zijn de parels op de kroon

4 juni 2019

Door André Vis

De als altijd scherpe eindredacteur van deze krant liet in een mailwisseling naar aanleiding van mijn vorige bijdrage (Wat weten wij Winterswijkers van ons oorlogsverleden?) de term buurtschappen vallen. Ook zoiets, zei een stem in mijn brein, de buurtschappen. Wat weet een dorpsjongen – of liever nog een geëmigreerde dorpsjongen – van de Winterswijkse buurtschappen? Een poging tot vergroting van het zelfinzicht.

Het geheugen is een vat vol bestaande feiten, verzonnen feiten en wenselijke feiten. Elk detail, opgedaan in de gouden jeugdjaren, heeft zijn eigen vorm gekregen, waar of niet waar. Dit is niet hinderlijk. Integendeel, het leven is niet wat het is, het is wat het lijkt. Tot zover de filosofie; nu de realiteit.

Neem de herinnering aan al die buurtschappen die onze prachtige gemeente rijk is (jazeker, onze want ook al ben je zo’n veertig jaar weg uit Winterswijk, het blijft onze gemeente, of liever nog: ONS dorp). Sluit de ogen en je ziet de hardhouten bankjes, de kroontjespen, het inktpotje, de kaart van Nederland aan de muur, de plaatsen van de provincie Gelderland en de uitleg van meester De Vries, terwijl hij in 1968 die grote aanwijsstok op de landkaart richt.

‘Kijk, hier in dit uiterste puntje; daar ligt Winterswijk. Zie je wel. Maar als je goed kijkt, zie je dat Winterswijk niet helemaal tegen de grens ligt, althans het dorp Winterswijk, weergegeven door deze stip. Tussen de stip en de grens met Duitsland zie je de gele kleur. En in die kleur liggen allemaal buurtschappen. Dat staat niet op de kaart, want daar zijn die buurtschappen te klein voor. Maar ze zijn er wel en ze zijn allemaal onderdeel van de gemeente Winterswijk. Zoals wij hier allemaal, alle meer dan dertig kinderen, onderdeel zijn van de derde klas van de Kohnstammschool, zo zijn al deze buurtschappen allemaal een deel van Winterswijk’.

En vervolgens noemde meester De Vries, linkshandig en plukkend aan zijn ringbaardje, de buurtschappen op: Meddo, Henxel, Huppel, Ratum, Kotten, Brinkheurne, Woold, Miste en Corle. Negen in getal en je wist als dorpskind in de jaren zestig niet wat je hier van moest vinden. Natuurlijk, je kende er wel een paar, vooral als het gezin op zondagmiddag naar de Italiaanse Meren ging, als je de prachtige natuur opzocht, als je op het terras wat te drinken kreeg en je moeder altijd zei: ‘Die Duitsers eten alleen maar van die grote sorbets’. Die Duitsers hadden het goed bekeken dacht je toen als negenjarige maar ja, ze hadden wel Das Wembley Tor moeten incasseren en waren dus geen wereldkampioen geworden. Zo was het ook wel weer.

De buurtschappen, je wist echt niet wat je er van moest vinden. Vosseveld, dat vond je een buurtschap omdat dat het dichtst bij het einde van het dorp Winterswijk lag, althans geredeneerd vanuit je rijtjeshuis in de bomenbuurt. Maar Vosseveld was geen echte buurtschap, zo vertelde meester De Vries. Vosseveld mocht dan een voetbalclub hebben, de steengroeve, het Ambonezenkamp zoals dat in de volksmond heette, het was geen buurtschap. Ik heb dit altijd een beschamende onrechtvaardigheid gevonden. Thans heeft Vosseveld ook gewoon een plaatsnaambord, als ik me niet vergis pal achter de kruising Kloetenseweg-Bataafseweg, en toch mag het niet de term buurtschap dragen. Daar zullen vast goede redenen voor zijn maar ik voel een rehabilitatie aankomen voor deze onterecht getroffen gemeenschap.

Een buurtschap had in mijn kindertijd voor ons jongens van de bomenbuurt pas echt recht op de term buurtschap als er een voetbalclub was. En die clubs waren er volop, met de meest prachtige shirts. Het begon natuurlijk in Meddo, de grootste aller buurtschappen. Ik lees nu op Wikipedia dat Meddo ook wel een kerkdorp is vanwege haar kern, de kerk, de cafés, het verenigingsleven, haar 1400 inwoners maar voor mij is Meddo toch echt de moeder aller buurtschappen. Dat shirt van de voetbalclub destijds; dat groen met die witte V-hals die als een halve maan doorliep achter op de rug. Prachtig, zoals alle shirts hun charme hadden, simpelweg omdat ze alle verschilden. Zo was het zwart-wit van Ratum fraai in zijn eenvoud (wat evenzeer gold voor het wit-zwart van Kotten), maar het geel-zwart van Miste en Corle (afgekort MEC) mocht er ook zijn.

Woold was wel een echte buurtschap maar had geen voetbalclub, hetgeen mij als kind al ten zeerste verdroot. Toch had het Woold wel recht op de status van buurtschap al was het maar vanwege de dikke steen. Zoiets is fascinerend voor een kind, een grote steen die daar gewoon ligt, plompverloren, en een dikke steen wordt genoemd.

De buurtschappen bleven niettemin een ver-van-mijn-bed show, zeker als je ouders geen auto hadden (dat kon nog in die tijd, eind jaren zestig, jonge lezers – opgroeien in vreugde en zonder auto). Pas in de middelbare schooltijd veranderde dat ver-van-mijn-bed beeld, omdat de buurtschapskinderen de klas instroomden. Zo zat ik in 3 VWO bij wiskunde naast Gerrit. Gerrit kwam uit Kotten, was een buitengewoon positieve en vriendelijke jongen, en kon donders voetballen om het zo maar eens te zeggen. Gerrit had bovendien een kort kapsel met kleine krulletjes hetgeen hem een wat negroïde uiterlijk gaf, ofschoon hij blank was als ieder ander in de klas. En dus gewoon uit Kotten kwam.

Gerrit en ik waren beiden geen betajongens maar toch heel verschillend. Daar waar ik met net voldoende aandacht trachtte een vijfje te scoren (compensatie genoeg via de vakken die er echt toe deden zoals geschiedenis, Nederlands en Frans), was Gerrit een ijverig baasje, constant meeschrijvend met het referaat van meneer Du Pré (of was het Polman?). Toen aan het slot van de les de toeter klonk, sloeg Gerrit zijn multomap dicht en zei: ‘Zo, en deze aantekeningen ga ik vanavond nog eens even rustig omzetten in een lopend verhaal van een paar kantjes… ‘  Mijn bek viel open van verbazing bij zoveel masochistische aanleg.

Maar mijn beeld van de buurtschappen kantelde pas echt in de laatste jaren. Door niet relevante omstandigheden maak ik elk jaar wel een autotochtje vanuit Aalten, noordwaarts door de buurtschappen, met uitzondering van Corle. Ik start zeg maar bij Schepersveld, via de Haart naar Woold, door naar Brinkheurne/Kotten, recht de weg Winterswijk-Oeding over, Ratum (wel even linksaf om bij de Steengroeve te kijken en dan rap weerom), Henxel, Huppel en door naar Meddo. Kopje koffie bij Spiekerman, Zwolle, en dan via Groenlo terug naar Aalten. Ach, mijn lezers, welk een schoonheid ontrolt zich aan mijn blikveld.

De buurtschappen zijn de parels op de kroon van ons dorp, negen in getal (al mogen het er ook tien zijn; tellen we Vosseveld meteen mee). In de buurtschappen van Winterswijk hoor je de stilte, is het groen groener dan groen, zijn kabbelende beekjes als een pianoconcert van Chopin, ogen de weilanden als vlaktes waarover je uren kunt kijken, filosoferend over de vraag waar het in het leven nu eigenlijk echt om gaat. Dat je nu zestig moet worden om tot de conclusie te komen dat de buurtschappen een integraal onderdeel zijn van de pracht van Winterswijk. Het leven is onvoorspelbaar, beste lezer.

 

 

 

 

 


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

Unable to display Facebook posts.
Show error

Error: An access token is required to request this resource.
Type: OAuthException
Code: 104
Please refer to our Error Message Reference.

Gerelateerde artikelen