De laatste schooldag; sluitstuk van een jaar levenswijsheid

20 juli 2018

Vakantie in de sixties; de wereld was een paradijs

 

De laatste schooldag van het jaar heeft iets magisch. In je jeugd moet elk jaar met vijf worden vermenigvuldigd als het gaat om levenslessen. Het kind leert zoveel dat het met sprongen naar zijn puberteit dendert. En daar eenmaal aangekomen denkt het met weemoed terug aan die lagere schooltijd, die laatste schooldag in juni of juli, de dag waarop nog één keer de kroontjespen in inkt werd gedoopt alvorens om half vier klassikaal werd geroepen: VAKANTIE!!

Door André Vis

De meester had jouw wereld in zijn hand. Hij kon om twee uur zeggen: ‘Weet je wat jongens en meisjes, ruim je boeken maar op. Jullie hebben vakantie’. Hij kon ook doorgaan tot half vier, totdat de zoemer klonk en we naar buiten renden als kinderen de wereld tegemoet tredend, de onschuld in ons hart en hoofd; de tafel van acht vergetend. Nooit meer het fraaie lied zingend: ‘In die grote stad Zaltbommel, bommel, heerste eens een watersnood. En zo menig arme drommel, drommel, die niet zwemmen kon, ging dood’. Geen topografieles waarin we monotoon opdreunden: Groningen, Zoutkamp,  Appingedam, Delfzijl,  Hoogezand, Sappemeer, Winschoten, Veendam, Wildervank, Oude Pekela, Nieuwe Pekela, Stadskanaal. Geen dictee met onmiddellijk (dubbel l!!!), anderhalve maand lang geen meester De Vries die tijdens het dictee zijn eigen naam opnoemde waarop iedereen in de fout ging omdat we de Vries opschreven in plaats van De Vries (‘Let er op; jongens en meisjes, met voornaam is het een kleine d en zonder voornaam een grote d’).

Vakantie!!!

Die juli-ochtend in 1968; Kohnstammschool, derde klas, hardhouten bankjes waarin de kinderen twee aan twee zaten, inktpotje rechtsvoor, kroontjespen met vlekkendoekje binnen handbereik. Die ochtend waren de zesdeklassers langs gekomen. Ze namen afscheid. Ze gingen naar de grote school zoals we dat noemden. Ze hadden snoep bij zich en trakteerden. We dachten dat de wereld een paradijs was. Snoep en de wetenschap dat we zes weken – zes lange weken – vrij waren, konden spelen zoals we nog nooit hadden gespeeld.

De meesten gingen naar het Strandbad, een welhaast sacrale plek. Het Strandbad en ik, het is nooit wat tussen ons geworden. Bij het schoolzwemmen keek ik rillend van de kou naar die zwarte plas die voor mij lag; slechts in een zwembroekje gehuld zodat de ribben op mijn magere witte romp als reliëfkoorden zichtbaar waren. De donkere plas leek mij eindeloos: er was geen twijfel, ik zou die dag verdrinken. Dat gebeurde niet, maar zwemmen, nee nooit. Ik zou het niet leren. Ik wist het helemaal zeker toen ik bij het klassikaal omkleden in die ruime kleedkamer per abuis een onderbroek aantrok van een ander met een heel wat dikkere kont. Toen mijn moeder ’s avonds de onderbroek in de was deed, ontlokte deze misser haar de kreet: ‘Hoe kun je nou zo’n onderbroek aan doen?’

Het Strandbad was voor de waterratten, ik streelde in de vakantie dag na dag de bal. Binnenkant, buitenkant voet. Op het veldje bij de flats, en als de oudere jongens er bij waren, mocht ik naar het grote voetbalveld bij de speeltuin ingeklemd tussen de Beuzenes, de Kastanjelaan, de Van Hengelstraat en het Hilbelinkspad. De ongekende vrijheid van de vakantie had in die jaren zestig een extra dimensie zou je denken. De kinderen creëerden onbewust hun eigen mei 1968, toen Franse studenten in de straten van Parijs de vermolmde autoriteiten bespotten. De kinderen deden het twee maanden later op hun manier. Geweldloos.

We zaten met dertig in een klas, we hadden de handjes boven tafel, we spraken met twee woorden (‘ja meester’), we zwoegden in stilte en zongen gezamenlijk. Individueel lesgeven bestond niet. Klassikaal. De meester verordonneerde en wij gehoorzaamden. Van juf Ank had nog niemand gehoord. In dit systeem waarin we niet ongelukkig waren maar wel in een keurslijf zaten, was vrijheid een illusie. Maar na die laatste schooldag telde dat niet meer.

Dan telde dat we die uiterste oostpunt aan de Duitse grens twee weken zouden verlaten voor een vakantie op Texel. Twee keer per jaar overschreden wij, kinderen uit de Elzenstraat, de grens van de Achterhoek met de rest van het land: één keer met het schoolreisje en één keer als we naar Texel gingen. Met de trein naar Den Helder en op de boot naar Texel. Dan keek je over de zee uit en leek zelfs die zwarte plas van het Strandbad klein en nietig.

Geleidelijk ontwikkelde Winterswijk zijn eigen toeristische attracties waardoor de laatste schooldag het startsein was voor een breder palet aan vertier. De braderie begin jaren zeventig. Als je het Weurden naderde, rook je de geur van gebrande noten en terwijl de avondzon zich uitspreidde over de kraampjes vroeg je je af hoe Joop Zoetemelk die middag zich in ’s hemelsnaam had kunnen laten vernachelen in een vlakke etappe: ruim drie minuten verloren op Merckx en Ocana.

Met elke laatste schooldag in een jaar sluit een kind een deel van zijn leven af. Pas als het ouder wordt, realiseert het zich de betekenis van dat jaar en als een herkauwende koe laat het een daad uit het verleden herleven. Het lerende kind voelt vlekkeloos aan welke kennis het dat jaar heeft opgedaan, welke levenservaring en het selecteert feilloos de goede van de slechte momenten. De goede prevaleren omdat iedere volwassene weet dat het zonder onderwijs nergens was geweest.

Die laatste schooldag markeert in dat opzicht telkenmale een stap in het leven van de mens. Dat is geen jeugdsentiment, dat is levenswijsheid. De vakantie laat zien dat geen mens leeft om te werken; de school leert ons dat we moeten werken om te kunnen leven, werk dat bijdraagt tot heil van onszelf maar ook tot dat van de samenleving in het algemeen. Want hoezeer ontwikkelde in de vierhoek Beuzenes-Van Hengelstraat-Hilbelinkspad-Kastanjelaan, op dat voetbalveld met die witte houten doelpalen, niet het sociale gevoel van teamkameraden die een voor een weten dat de solo slechts bestaat bij de gratie van je medespelers?

Met liefde denken we terug aan de laatste schooldag. Met evenveel liefde denken we terug aan de vakantie in ons eigen dorp en met een halfslachtig gevoel van liefde en afkeer denken we terug aan de dag dat we weer naar school gingen, de dag dat we de boeken kaftten, de potloden slepen. In onze neusvleugels heeft zich de altijd wat muffe geur van schoollokalen uit de jaren zestig vastgezet. Het verleden kent zijn Winterswijkse ornamenten. De laatste schooldag in de sixties en seventies is er een van.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

Unable to display Facebook posts.
Show error

Error: (#4) Application request limit reached
Type: OAuthException
Code: 4
Please refer to our Error Message Reference.

Gerelateerde artikelen