De Steengroeve als magische plek

4 juni 2019

Door Bernhard Harfsterkamp
Een leraar Nederlands vertelde mij ooit dat er een simpele methode was om te beoordelen of een boek de moeite van het lezen waard is. “Sla het open op een willekeurige bladzijde en lees een alinea. Is die goed, dan kun je met een gerust hart het boek lezen.” Ik heb zijn methode regelmatig toegepast en bijna altijd pikte ik daarmee een goede roman of verhalenbundel uit de stapels nieuwe boeken. Een enkele keer bleek alleen die ene alinea interessant te zijn. Ook ondervond ik later dat ik daardoor wel eens een prachtig boek heb gemist.
Een journalist uit Goor, die al decennia lang nieuwe boeken bespreekt en die weet dat ik passages over Winterswijk in de Nederlandse literatuur verzamel, stuurde me een foto van een pagina in het boek dat hij aan het lezen was. Daarop stond een alinea over de Steengroeve. Meteen wist ik dat in dit geval de leraar gelijk had. Dit boek kon niets zijn. Het citaat zal het duidelijk maken.
“De Steengroeve in Winterswijk werd mijn tweede huis. Dat was de beste plaats in Nederland waar je fossielen en mineralen kon opgraven. Omdat het treinkaartje te duur was, ging ik zwartrijden. Verstopt in de gore toiletten van de NS-treinen was ik wekelijks op weg naar mijn droomplek. De vriendelijke conducteur betrapte me vaak op heterdaad, waardoor de archeologische tripjes duurder uitpakten dan wanneer ik een kaartje had gekocht. (…) In de steengroeve kwam ik nooit verder dan wat miljoenen jaren oude haaientanden, terwijl ik hoopte op het skelet van een Brontosaurus. Ik wilde archeoloog worden, maar met mijn vmbo-advies kon ik dat wel vergeten.”

De alinea komt uit het boek Narcissus van Sol Bouzamour. Dat de schrijver duidelijk nooit in de Steengroeve en Winterswijk is geweest is niet het ergste. Als een schrijver een markante plek uitkiest voor zijn boek, mag je wel verwachten dat hij zich verdiept heeft in enkele details. Dan weet hij dat hij al vele jaren Winterswijk niet meer met een NS-trein kan bereiken. Dan weet hij dat er geen haaientanden gevonden kunnen worden in de Steengroeve. Daarvoor had hij naar die andere groeve, de Vlijt aan de Driemarkweg, moeten gaan. Dan weet hij ook dat er geen fossielen van grote dinosaurussen gevonden kunnen worden, maar alleen van kleine sauriërs. Als hij dan ook nog eens gaat zeggen dat hij archeoloog wilde worden – iemand die bezig is met sporen van mensen in kaart te brengen, terwijl het toch over geologie ging – valt hij helemaal door de mand.
Over de steengroeve is gelukkig ook geschreven door de bekendste schrijver die Winterswijk heeft voortgebracht, Gerrit Komrij. Hij is er zeker geweest. Zijn verhaal over de groeve is te vinden in Verwoest Arcadië, de autobiografische roman over zijn jeugd in Winterswijk. In de eerste druk van Verwoest Arcadië  komt de Steengroeve niet voor. Er is alleen sprake van een stukje pyriet, dat Jacob Witsen, de hoofdpersoon,  krijgt van een meisje op school O. In de vijfde, herziene druk uit 2010 is daarna een lange passage over een bezoek aan de Steengroeve ingevoegd. Te lang om hier helemaal te citeren. Als u die helemaal wilt lezen, zult u bladzijde 38 van de vijfde druk moeten opslaan.
Komrij beschrijft de groeve als een magische plek, die Jacob met angst en beven betreedt.
“Hij bereikte een lang, manshoog hek met traliegaas. Achter het hek was een dichte borstwering aangekoekt van struiken en lupines. Hier en daar had je een opening en dan keek hij in een diep gat. Het zand verblindde zijn ogen. Hij kon niet zien waar de mijn begon of ophield. Dit was dus de plek waar de moordenaars hun slachtoffers begroeven, waar kinderen werden opgepeuzeld en waar de heksen hun uitvalsbasis hadden. Een kuil met putdeksels, ovens en bezemkasten. Een startbaan voor de heksen.
Jacob kon uit tientallen mazen en wakken in de borstwering kiezen die ruim genoeg waren om er door te kruipen. Hij koos niet eens de grootste. De groeve strekte zich naakt voor hem uit. Beneden, in de diepte, begon een rail die langs de wand naar boven cirkelde en uitkwam op de plek waar hij zich net naar binnen had gewurmd. Tientallen kipkarretjes stonden daar gerangeerd, netjes op een rij, met roestige bakken en gebroken hendels. Relieken van een oude bedrijvigheid die misschien nooit meer hervat zou worden. Er gingen geruchten rond in het dorp over een nieuwe exploitant, maar niemand geloofde in die geruchten.”
Wat Jacob voor zand had aangezien bleek kalk te zijn. Eenmaal in de groeve gaat Jacob pyriet en fossielen zoeken. Daarna snel terug naar de fiets en naar huis.
“Snel was daar ook dat nieuwe gevoel, een gevoel dat er niet was geweest op de heenweg. Zijn broekzakken zaten vol met zware, puntige voorwerpen.
De jongens uit het dorp die al in de groeve waren geweest toonden altijd vol trots hun buit. Het mooiste van alles was een brok pyriet. De jongens koesterden het als een juweel en pochten dat je er wel een brommer of kasteel voor kon kopen. Ze sloegen er vonken uit door het tegen ijzer te laten ketsen. Buitengewoon handig waren ze daarin.
Wie een brok pyriet in zijn broekzak meedroeg was onoverwinnelijk. ’s Nachts onder de dekens, zeiden ze, gaf een brok pyriet licht.”
Jacobs moeder was minder blij.
‘Waar ben je geweest?’ De stem van zijn moeder klonk scherp en ongeduldig. ‘Kijk eens hoe je er uitziet!’
Hij keek naar zijn lichaam. Hij zag wit van kalk. ‘Pierlala!’
Hij dacht aan de jongen die met een stuk pyriet naar bed was gegaan en met een schelp om aan zijn oor te leggen. De andere morgen was hij dood aangetroffen. Een boze moeder was zo erg nog niet.”

Zou Komrij in de tijd dat hij aan de herziene versie van Verwoest Arcadië werkte zelf een keer naar de Steengroeve zijn gefietst? De beschrijving lijkt deels gebaseerd op hoe de groeve er in de recente tijd bij ligt. Nergens kun je zomaar meer naar binnen. Maar in Komrij’s jeugd en ook daarna in de jaren 60 en 70 was de groeve nog helemaal niet zo afgesloten. Je hoefde niet door gaten in het hek heen te kruipen, maar kon gewoon de groeves in lopen. Alleen het gedeelte achter de fabriek zelf was altijd iets ontoegankelijker. Zodoende zijn heel veel Winterswijkers thuis gekomen met pyriet en fossielen en zagen ze er allemaal vaak een beetje uit als Pierlala.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

Unable to display Facebook posts.
Show error

Error: An access token is required to request this resource.
Type: OAuthException
Code: 104
Please refer to our Error Message Reference.

Gerelateerde artikelen