Joke Put viert opmerkelijk jubileum

19 mei 2017

Veertig jaar avontuur in de vis

Elke Winterswijker heeft wel eens een harinkje bij haar verschalkt of een krokant gebakken kibbeling aan haar kraam gekocht. Joke Put (62) staat dan ook al veertig jaar op de markt met haar vishandel. Een leven vol avonturen, dat haar zelfs in de politiecel deed belanden.

Door Jan Ruesink

Ze stamt uit een kleurrijk ondernemersgezin. De winkel van de familie Put in de Vredensestraat handelde in speelgoed en huishoudartikelen, maar af en toe werd het ook tot café, cafetaria of vuurwerkwinkel omgedoopt. Het hele gezin, met de vijf kinderen waarvan Joke de jongste was, hielp mee in de zaak. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Joke na de Wilhelminaschool (aan de overkant van de straat) naar de ulo ging. Maar ze maakte die niet af, omdat ze op haar vijftiende in de winkel ging meehelpen. Wel haalde ze in recordtempo als 16-jarige haar middenstandsdiploma en haar vakdiploma huishoudelijke artikelen. Joke kreeg al gauw verkering met Jos van den Berg – van de bekende groentegroothandel aan het Handelscentrum – en samen wilden ze voor zichzelf gaan beginnen.  Pogingen om in de groenten en horeca te starten, liepen op niets uit. Tot vader Put zei: ‘Je moet in de vis’, wetende dat er in het dorp amper viszaken waren, maar wel veel Duitsers die het dorp overspoelden.  Joke ging de vakopleiding voor de vishandel toch volgen en slaagde zelfs cum laude, voor de ambulante handel en de groothandel. “Ik weet nog wel dat ik de examencommissie op de vingers heb getikt, omdat ze schartong en tongschar – dat is iets heel anders – door elkaar hadden gehaald.”

Overstuur Met het diploma op zak ging ze eerst anderhalf jaar in de leer bij Noordman, die op de markten in Winterswijk en Enschede stond. “In Enschede verkochten we onmundig veel soorten vis, want daar woonden veel buitenlanders die andere vis kochten dan hier. Och, wat heb ik daar toch daar allemaal meegemaakt. Voor de kraam hadden we kisten vol krabben staan en een klant moest per se een krab onderuit die kist hebben. Ik met blote handen tussen die beesten graaien, beginnen ze met die grote scharen naar me te grijpen. Ik was helemaal overstuur. Wist ik veel dat die beesten nog leefden. “Klopt,” lachte Noordman en toen liet hij mij zijn vinger zien waar een stuk van afgehapt was.”

Het bleek voor Joke en Jos moeilijk om een vaste standplaats te vinden op een warenmarkt. Wel kregen ze een ventvergunning. Dus kochten ze een oud VW-busje en met een zeiltje en vis in tempexdozen met ijs reden ze eerst naar Corle. “Ik moest de bel luiden als we een boerderij naderden. Stond d’r een boer buiten die alleen maar riep: ‘nee, ik mot dat spul nie’. Ik kán dit niet, zei ik. Maar goed, even later in Miste kwam er eerst één klant, toen nog één en binnen een halfuur waren we door de hele handel heen. Toen dacht ik: als je dit nu een aantal keren in de week doet, dan zit er een goeie boterham in. We trokken langs buurtschapsfeesten en kermissen. Dat was niet makkelijk, want we koelden nog gewoon met ijs en we hadden een pan met een vuurtje eronder voor de gebakken vis en het werd vaak laat met veel lawaai en dronken lui. We hebben ook nog even een winkel in Enschede gehad, maar dat viel ook niet mee, die lange dagen en op en neer rijden, terwijl ik toen ook twee kleine kinderen had”.

WDR3 Eind jaren zeventig kwam er een plaats vrij op de markt, in Winterswijk op woensdag en zaterdag en op vrijdag in Dinxperlo.  Daar begon Joke zich als een vis in het water te voelen. “Toevallig kwam er een cameraploeg van de WDR3 op de markt om een reportage te maken over Winterswijk. Toen ben ik maar luidruchtig als standwerker gaan schreeuwen om de aandacht te trekken. Die uitzending was een mooie promotie”.

De Duitsers vormen driekwart van de klandizie. “Duitsers hebben veel meer met vis dan wij. Ze doen er ook meer mee. Wij pakken een harinkje bij de staart en werken hem naar binnen, maar in Duitsland wordt-ie ook gebakken, in de salade verwerkt en met Schlagsahne gegeten. Duitsers zijn ook veel gedisciplineerder, ze gaan gerust in een lange rij voor de kraam staan. Maar ik heb d’r ook weleens woorden mee gehad. Stond er een Duitse met een bontjas voor de kraam en die moest per se een vis onderin het ijs hebben, en dan weer niet, omdat-ie bevroren was, en toen was-ie weer te duur… Ik zeg: als Du immer so gierig war, dann hattest du wohl een echte bontjas gehabt in plaats van so ein kitschding. Liep ze boos weg, haha”.

Maar de vis wordt soms ook duur betaald. Het is bederfelijke waar en slecht weer levert al gauw omzetverlies op. Kou maakt volgens Joke niet zoveel uit (“hoewel, bij min 11 zaten mijn handen aan het geldkistje vastgevroren”), maar regen betekent al gauw 40 procent minder omzet.

Politiecel Na haar echtscheiding in 1986 begon Joke opnieuw onder de naam Vishandel Put. Ze kocht een antieke haringkar en ging op Duitse zondagen het dorp in. Maar de politie vond dat ze haar ventvergunning misbruikte en te lang op één plaats stond. Joke werd tot haar schrik in de politiecel gegooid en kreeg een boete van 20 gulden, die ze weigerde te betalen. De rechter stelde haar in het gelijk, want met de vergunning mocht ze blijven staan zolang ze aan het verkopen was.

Vervolgens werd de ventvergunning ingetrokken door de gemeente, maar via een tip van zus Thekla kreeg ze toch opnieuw een vergunning voor de zaterdagmarkt. Ook had ze tijdens het Volksfeest twaalf jaar een vergunning om op het marktplein te mogen staan, maar die werd haar door de gemeente afgenomen, toen de kermis naar het centrum verhuisde. Joke moest zich melden bij Vereeniging Volksfeest. “Die vertelde mij, na vele woordenwisselingen, niets met mij te maken willen hebben. Mijn felbegeerde plekje op de markt werd toegewezen aan Duitse ondernemers. En een jaar later stond er een Winterswijkse vishandelaar.”

Hard werken Inmiddels heeft haar bedrijf drie verkoopwagens en tien man personeel. Joke woont samen met Erik Veenstra (van de gelijknamige woning- en projectinrichting). Dochter Judith heeft samen met Bas van Dijk de vishandel van haar vader overgenomen en staat tegenover Joke op de zaterdagmarkt. Met haar andere collega’s op de markt heeft ze ook een prima verstandhouding.  Ze moeten tenslotte samen opboksen tegen de concurrentie van onder meer supermarkten. Joke: “Dat lukt met een ruim en vers assortiment en goede apparatuur; allemaal veel moderner, met thermostaten. Het zijn wel enorme investeringen. Voor bakapparatuur betaal je zo 20.000 tot 25.000 euro en een verkoopwagen kost je 75.000 euro. En het is hard werken. De avond ervoor de voorraad gereedmaken en  ’s ochtends  gaat Erik al om vier uur naar de markt met de wagens.”

Haar 40-jarig jubileum, in juni, viert Joke met een bescheiden feestje. Hoelang ze het vak nog volhoudt, weet ze niet. “We zijn bezig de opvolging te regelen, maar ik ben gelukkig gezond en heb nog geen spataderen van al dat staan. Ziek ben ik nooit geweest, hadden we ook geen verzekering voor. Zelfs hoogzwanger stond ik nog in de kraam en vlak na de bevalling weer. Dat was altijd letterlijk kraomschudden….”


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

5 dagen geleden

De 50+ Krant
Bekijk op Facebook

Gerelateerde artikelen