Winterswijk in de Nederlandse literatuur

20 december 2018

‘Het is hier rustig, net of dit Nederland niet is’

 

Winterswijk en omgeving figureren regelmatig in romans, verhalen en gedichten van Nederlandse schrijvers. Onlangs gebeurde dat nog in een debuutroman, waarin de hoofdpersoon vertelde over zijn bezoeken aan de Steengroeve. Uit de fouten in de romanpassage bleek dat de schrijver er nooit was geweest. Natuurlijk hoeft een schrijver niet ergens geweest zijn, als hij over een plaats schrijft. De meeste schrijvers hebben tenslotte een rijke fantasie. Het is dan echter wel handig dat de feiten kloppen. Vele schrijvers hebben Winterswijk echter wel echt bezocht en hebben daar kort of lang over geschreven. Hoe komt ons dorp eraf in die boeken?

 

Door Bernhard Harfsterkamp

 

Enkele landelijk bekend geworden schrijvers zijn hier zelfs geboren. We kennen allemaal Gerrit Komrij. Veel van de passages die hij in zijn uitgebreide oeuvre over Winterswijk schreef zijn opgenomen in De winter wist van geen wijken. Een literaire zwerftocht door het Winterswijk van Gerrit Komrij. Minder bekend is de in ’t Woold geboren schrijver Christiaan te Winkel, die door liefhebbers gewaardeerd wordt vanwege de korte roman De Grasbaan,  waarin de Bocholtse Baan en directe omgeving een belangrijke rol speelt. Ook in zijn novellenbundel  Vacuüm verpakt en de roman Mij dorst komt Winterswijk zeer herkenbaar voor. Aan het Winterswijk van Komrij en Te Winkel besteed ik in een vervolg op dit artikel aandacht.

Deze keer richt ik me op enkele schrijvers die letterlijk op bezoek zijn geweest.

Bij de eerste keer dat Koos van Zomeren over Winterswijk schreef was er nog twijfel of hij er al was geweest. Dat gebeurde in de roman Het schip Herman Manelli uit 1990: “In Winterswijk liepen honderdveertig mensen de zaal uit, een ongehoord succes, dat evenwel voor een goed deel moest worden toegeschreven aan een beoordelingsfout van de directeur, die hen had ingedeeld in een abonnementsreeks met Der Bettelstudent en dat soort ongein. Na afloop werden ze gefêteerd door de achterblijvers. Manelli herinnerde zich een varkenskop, tot barstens toe opgeblazen door triomfantalisme: ‘Bedankt kerel, de avond van mijn leven! Die, die weggingen, dat zijn de lui die maken dat het hier in Winterswijk zo’n achterlijke bende is.’

Zo werd Distel door de bloem van Winterswijk gebruikt om te zeggen wat ze zelf niet durfde zeggen en waar ze het, als puntje bij paaltje kwam, waarschijnlijk ook maar half mee eens was.”

 

Als er Winschoten had gestaan was de passage niet anders geweest, al weet ik niet of daar ook een schouwburg is. Van Zomeren is later vooral bekend geworden als schrijver over natuur. Er zijn weinig schrijvers, die verfijnder over natuur en landschap kunnen schrijven. Daarvoor verkende Van Zomeren de natuur in het hele land en daarbij is hij zeker vaker in Winterswijk geweest. Of in de buurt daarvan, zoals bij de Van Ypenburgs op de Haart. Over een bezoek daar schreef hij op 8 augustus 1994 een column op de voorpagina van NRC Handelsblad. Daaruit komt de volgende passage: “Het is merkwaardig gesteld met de ortolaan in ons land. Onlangs werd in ietwat geëxalteerde en geheimzinnige brief aan deze krant een broedpoging onthuld in de Zuid-Hollandse duinen. En nu dit geval diep in de Achterhoek. Sinds hij uitgestorven werd gemeld, gaat de ortolaan met sprongen vooruit. Wonderlijk. Dan heb je één veldje met rogge en één ortolaan, en hij weet het te vinden ook.”

Daarna is de ortolaan die in de Oost-Achterhoek in de jaren zeventig nog algemeen was echt uitgestorven.

 

Soms melden schrijvers kort iets over Winterswijk in hun dagboek of in een brief. In Kroniek van een karakter deel 1 de Achterhoek, waarin brieven zijn verzameld schrijft Jeroen Brouwers:  “De natuur is hier erg mooi.

Het is hier erg rustig. Het is net, of dit Nederland niet is. Maar braaf, brááf! Het is hier van een niet te beschrijven, asgrauwe saaiheid, die al bij Arnhem begint en tot Groningen stand houdt. Kleurloze, vervelende stadjes, Lochem … Ruurlo … Winterswijk … Eibergen … Zutphen … Van een levenloosheid, verschrikkelijk! Maar eigenlijk is dit op heel Nederland wel van toepassing.”

 

In 1993 schreef hij in Het is niets uitgebreider over Winterswijk. Hij vertelt daarin over een bezoek aan Aad Nuis, die toen nog met Bea McKenzie, bekend als gemeenteraadslid voor D66, was getrouwd en op een boerderij in Kotten woonde. De gastheer en zijn vrouw kwamen er niet al te goed van af. Hun woonkamer werd beschreven als een beestenboel met vele kippen en katten.

Bij Aad Nuis kwamen meer schrijvers op bezoek. Rutger Kopland logeerde er en schreef een gedicht over de populieren die hij vanuit het raam van de boerderij zag. De gedichten van Rutger Kopland zijn enkele keren door Van Oorschot in een verzamelbundel uitgegeven. Uit de editie van 1999 citeer ik gedicht dat hij misschien wel in Kotten schreef:

 

“Herfst, Achterhoek, Achterberg

Toen ik nog zeer onder de indruk

van de jenever wakker werd in de
Achterhoek

zag ik de hoge populieren in het raam.

Waar heb ik dat gelezen dacht ik,

het bleken de hoge geheimen van Gerrit

te zijn, volkomen kaal al onder in

de kruin, maar bovenin nog groen

als gras. De dood stijgt langzaam

uit de voeten.

De kleur mag een beetje verschillen

maar het is en blijft in ieder seizoen

toch dezelfde ellende zegt Gerrit en

hij heeft gelijk, hoe gezellig het ook is.

Om de boerderijen ontluiken, ritselen en

vallen de blaadjes akelig aangenaam.”

 

In de periode dat ik nog gemeenteraadslid was las ik met enige regelmaat een gedicht voor. Ik citeer mezelf uit de notulen van de gemeenteraadsvergadering van 3 juli 2008:

 

“Er zijn maar weinig dichtbundels die in Nederland verschenen zijn die een natuurgebied in Winterswijk als titel hebben. Bos in het Rot is een boscomplex in het Woold tussen de Hijinkhoekweg, de Schoolweg, de Boveltweg en Rauwershofweg. Nu weet iedereen waar het bos precies ligt. Het is een van de waardevolste wintereikenbossen in Nederland. B. Zwaal was de zoon van dominee Zwaal die hier lang geleden gepredikt heeft. Hij is op zijn achttiende uit Winterswijk weggegaan. Blijkbaar heeft het bos in het Rot zo’n diepe indruk op hem gemaakt dat hij daar een gedicht over geschreven heeft en er zelfs een dichtbundel naar genoemd heeft. Ik zal er enkele passages uit voorlezen.

 

“Schokkend de weg befietsen

Beton en asfalt bestaan slechts in zijn dromen

In de manden van de kuilen slapen zijn wielen

Voordat zij schokkend wakker springen

En hem over braamstruik,

 berm en roestdraad werpen

Naast de hurkende boerin

Zij trekt haar schoven op en neemt hem onderhanden

Zij maait en bindt, dorst hem en built hem

Bakt hem in haar oven

Hulpeloos en veel te kort

Draaien zijn wielen na

De bel verstomt in het gras

Reikt niet de oren van de boer

Waakzaam immers

Hij kent haar streken bij het hurken

In de droge sloot en betaalt al veel te lang de schade

Zij keert zich af

Rent weg over het hobbelig pad

Grijpt fiets en spring erop

Zich troostend met het herenzadel

Zwerft door het duister bos in het Rot

Ontwaakt de fietser

Pakt zijn schram en builen bij elkaar

Acht niet het hem ontroofde zaad

Meer dan een blik waardig

Hij zoekt zijn buis en vaart

Eens zal hij haar op hem weer vinden

Bij de vijver diep in het bos

En dan lacht zij

Niet eigenaardig maar vriendelijk, vrij

En leidt hem aan haar hand

Langs rijwielherstelplaatsen bij elke boom

Althans zo lijkt het hem

Wanneer haar lach hem loom likt

En zij zich verfrissend zachtjes over hem ontfermt

Waar is mijn fiets verdomme

Brult hij de brandweer toe

Die het vuur met waterkracht bevrijdt

van al haar hitte

De boer treedt uit het huis

Geblakerd en ten dele slechts

Maar geeft toch helder informatie

De fietser zoekt in het bos en vindt zijn fiets

Nog kleverig van haar warme aspiratie

Haar rokken sluiten toe

Koel en kuis hangt boven het zwarte veld haar blik

De fietser fietst en zwoegt

Schudt darmen en nierstenen

Bereikt het asfaltpad

Juist, daar moest hij henen”

 

Wat Winterswijkse bossen allemaal niet op kunnen leveren.”

De informatie over B. Zwaal bleek niet helemaal te kloppen. Hij stuurde mij daarover een e-mail. “Geachte heer Harfsterkamp. Via de hulp van Google kwamen mij de notulen van een Winterswijkse raadsvergadering onder ogen waarin u – ik ben zeer vereerd – delen uit Bos in het Rot citeerde ter afronding van een betoog. Dat doet mij deugd. Een paar biografische opmerkingen kloppen niet. Ik ben geenszins de zoon van dominee F.C. Zwaal en ik ben al helemaal niet op mijn achttiende uit Winterswijk vertrokken. Ik heb daar namelijk nimmer gewoond. Maar wel was Zwaal, die zeer langdurig de Zonnebrinkkerk – heb ik die naam wel goed? – bepreekte en in de Willinkstraat woonde, buur van Kuipers-Rietberg, mijn uit Amsterdam afkomstige oom. Mijn moeder was een echte Winterswijkse, Johanna Smalbraak, die onder andere woonde in de Spoorstraat. Mijn vader, A.D. Zwaal, wierf haar natuurlijk via bezoeken aan zijn broer. Haar vader J.B. Smalbraak kwam van Deunk in Brinkheurne en richtte later mede de Raiffeisenbank op.

Haar moeder was een Heemink. Zo onderging ik natuurlijk af en toe in jeugdige jaren de schoonheid van Winterswijk.

Oef, wat hielden ze daar ten bate der vooruitgang huis. In later jaren, op vakantie met vrouw en kinderen op de Snieder het toenmalige huis van bioloog Hennipman in Kotten zag ik op een ANWB-paddenstoel de vermelding Bos in het Rot.” Dat inspireerde hem tot het lange gedicht.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

Unable to display Facebook posts.
Show error

Error: (#4) Application request limit reached
Type: OAuthException
Code: 4
Please refer to our Error Message Reference.

Gerelateerde artikelen