Biologiewerkstuk herleeft 47 jaar na dato

28 september 2018

Wat een goddelijk oord

 

Die eerste maanden in de brugklas; daar stond je dan in het jaar des Heren 1971. In alle eenzaamheid, een kind nog, die pardoes in de grotemensenwereld was geduwd. Wat weet je nog van die begintijd? Ja, die ene kille, regenachtige vrijdagmiddag toen wij, kinderen van B4, met de biologieleraar op bladeren- en plantenjacht gingen. En zo besluit de schrijver 47 jaar na dato een trip down memory lane te maken. Terug naar De Puls, het Strandbad, de Bekendelle.

Door André Vis

 

Hij liep door die schier eindeloze gangen van dat gebouw aan de Dingstraat. De Dingstraat, een peilloze naam voor een straat. Welk ding? Wat betekende die naam? Waar was de veilige omgeving van de drie lagere scholen die hij frequenteerde: school O in de eerste klas, de Kohnstammschool van klas twee tot en met vier en de nieuwbouw van De Olm in de klassen vijf en zes?

De leraren droegen bijzondere namen als Van der Bij en Zemel, maar één kende hij omdat de man drie huizen verderop woonde: Viveen, de biologieleraar, die ook zijn broer en zus in de dier- en plantenkunde had onderwezen. Het was een houvast toen de onzekerheid als een beklemmende jas aanvoelde. Hij troostte zich met voetbal, het wereldkampioenschap wielrennen in Mendrisio en de top-40 waar de vakantiehit Borriquito van Perret nog steeds op 1 stond. Maar Rod McKuen met Soldiers who want to be heroes  en Les Poppys met Non, non, rien n’a changé waren in opmars en zouden in oktober de eerste twee plekken bezetten. Twee protestsongs op een en twee; kom daar nu nog maar eens om, arm en naïef Nederland!

Viveen dus. Die had bedacht dat de eersteklassers van B4 op een vrijdagmiddag met de fiets paraat moesten staan om naar de natuur richting Woold te karren, alwaar ze collectief bladeren en gewassen moesten verzamelen, die ze vervolgens thuis dienden te drogen, op onderscheidend kleurig karton moesten plakken en met boeklon moesten overtrekken. Met de perforator gaatjes in het karton knippen en vervolgens keurig in een multomap verzamelen die ze binnen een week in moesten leveren. Dat heette een werkstuk.

Ze waren met een kleine dertig jongens en meisjes. Viveen reed voorop met Aadje. Aadje was al zo’n 1.80 meter terwijl hij nog maar twaalf was en daarom noemden ze hem Aadje. Viveen en Aadje zetten er de sokken in en bij elke pleisterplaats hadden ze de brugpiepers gelost die er als een soort Afke’s Dertigtal achteraan hobbelden. Ze hoorden Viveen nog net zeggen: ‘Heb je hem Aad? Mooi dan gaan we verder’.

Aan het einde was de oogst voor de achterblijvers gering. Een eikenblad, een paar kletsnatte stengels van onbestemde soort, en, ach ja, hier nog een restje blad van de beukenboom, geplet tussen de boeken in de schooltas. Wat moest een kind van twaalf hiermee? Viveen zei: ‘Zoek de ontbrekende bladeren en planten maar op in een boek en teken ze maar na’. Na een week rolde er een zesje uit. Voor de moeite.

Het is geen trauma, die vrijdagmiddag, wel een herinnering uit duizenden. En zo rijdt hij op de laatste dinsdag van augustus vanaf de rondweg richting Woold. Was hij hier ooit teruggekeerd sinds hij een veertigtal jaar geleden het dorp had verlaten? Zou hij de plekken nog herkennen, waar de kinderen gegroepeerd stonden en de stem van Viveen vervloog in de herfstwind. Niets hoorde je, niets. Alleen: ‘Heb je hem Aad? Mooi, dan gaan we verder’.

Hij besluit de eerste afslag richting Strandlodge en Strandbad over te slaan. Rechtdoor, hij heeft een bestemming: Berenschot. Ach Berenschot, ook zo’n iconische plek waar hij in de jaren zestig achter op de fiets bij zijn vader (vader weet de weg, vader weet waarheen…) neerstreek. Berenschot, waar hij augustus 1969 het lekkerste ijsje ooit heeft gegeten. Twee wafels, knisperend, met daartussen die laag roomijs… Houd op met die modieuze onzinsoorten van Hertog ijs. Wat nou bosbessen-cheesecake en pecan-caramel; gewoon roomijs van Berenschot uit 1969.

Hij zet de auto neer aan de rand van de weg en loopt naar het restaurant. De menukaart hangt buiten: geen vintage roomijs ’69. Wel Pulled Pork, kogelbiefstuk IJsselvallei en ook kunnen gezelschappen een High Tea reserveren.

Even verder ligt de beek waar hij stil staat bij de watermolen. Hij kijkt over de weilanden, ziet de bomen, hoort de stilte en ruikt het water. Weemoed. Wat is het buitengebied van Winterswijk een goddelijk oord! Hij loopt terug naar zijn auto, rijdt verder richting het Woold en ziet het oogstrelende groen van de Bekendelle, omgewaaide bomen, eikels in de berm, takken dwars over elkaar, filterende zon door het gebladerte. Hij ruikt weer die herfst van 1971, de natte grond van toen.

Bij de Dikke Steen, ook zo’n onvergetelijk monument van een gelukkige jeugd, draait hij terug in de driehoek die er voor is gemaakt. Links, weer links en direct rechts richting Winterswijk. Hij ziet de weilanden, de maïsvelden, de Melktap van Alfred en Liliane Scholten, de minicamping Damkotshuisje en dan die woonwagen, die daar plompverloren staat. Beschilderd met kreten uit zijn jeugd. Peace, Woodstock, Flower Power. Van wie is die? Waar is Grace Slick? Woont ze hier? Is ze neergestreken in de Achterhoek? Net als destijds die knakker van AC/DC?

Als hij weer langs Berenschot rijdt, stapt net een groep racefietsers af, collectief in rood-groen-witte wielershirts. Ter Huurne staat er op. De gebruikelijke stop voor koffie en appelgebak. Links van de weg wordt even verderop Kaminholz aangeboden. Nog altijd is Winterswijk op Duitsland georiënteerd. Het is goed zo, amper een week nadat Dieter Thomas Heck (‘Start Nummer Eins, Cindy und Bert. Immer wieder Sonntag…’) is overleden.

Na de spoorwegovergang slaat hij rechtsaf de Mr. A. Th. ten Houtenlaan in. Mooi dat bij de afweg de voorletters er bij staan. Wie was A. Th. ten Houten? Hij weet het niet. Linksaf de Badweg in. Op de parkeerplaats bij Strandlodge stapt hij uit. De groene verf op het houten gebouw brengt hem terug naar de kleedhokjes van destijds, het schoolzwemmen, het koude water. Hij kijkt over de schutting: alles is leeg. Geen water, geen mensen, niets. Natuurlijk, de blauwalg; dat is het. Hij had er iets over gelezen op twitter. Als hij over de schutting kijkt, merken twee medewerkers, die onderhoudswerkzaamheden plegen, hem op. Ze lijken naar hem toe te komen maar hij verwijdert zich.

De Puls laat hij De Puls. Hij gaat terug, slaat linksaf en bereikt de Olliemölle dat ook Den Helder werd genoemd, maar als kind begreep hij dat niet, want Den Helder is die stad waar de boot ligt, die hem elk zomervakantie naar Texel bracht. Hoe kan er dan ook een Den Helder in Winterswijk zijn? Hij stopt als hij eenden in de beek ontwaart. En rijdt dan ferm door naar de Wooldseweg en op de rotonde linksaf de Rondweg op richting Aalten/Groenlo; de Rondweg waarvan de eerste plannen in de jaren zeventig tekenleraar Van den Essenburg tot woede brachten. ‘Dat wordt een racebaan, vrienden. Echt, houdt het tegen!’, zei de bebrilde leraar tot zijn atheneumjongens.

Zo was hij helemaal terug in 1971. Zijn auto verwijderde zich steeds verder van de omgeving waar zijn roots lagen, maar zijn geest was dichterbij dan ooit. Dankzij Berenschot, de Bekendelle, de Dikke Steen, het Strandbad, De Puls, de Olliemölle, dankzij die kille, regenachtige vrijdagmiddag in de herfst van 1971 en dankzij meester Viveen. Diens stem klinkt nog altijd in zijn oor: ‘Heb je hem Aad? Mooi dan gaan we verder’.

 

 


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen