Dat dorp van toen, het is voorbij…

26 november 2019

‘Winterswijk heeft een C&A…’ Ik hoorde het een tijd geleden en een siddering ging door mijn lijf. Ging mijn geliefde geboortedorp nu mee in de niets ontziende race naar de top? ‘Winterswijk, hét shopping centre van Oost-Nederland’, zoiets verschrikkelijks… Het valt mee. Maar in de tijd dat we het dorp moeten koesteren, kunnen we niet waakzaam genoeg zijn.
Door André Vis
Wim Daniëls is een taalkunstenaar die goochelt met letters en woorden als een literaire Hans Kazan. Hij gooit ze door elkaar, over elkaar en als hij met zijn zachte G aanschuift bij Pauw of ergens op NPO Radio 1 dan zijn de oren gespitst. Daniëls is ook verantwoordelijk voor een van de leukste grappen die ik de laatste jaren hoorde: …Zitten twee priesters bij elkaar. Zegt de een tegen de ander: ‘Zeg broeder, wat denkt gij, zullen wij het einde van het celibaat nog meemaken?’ Waarop de andere priester antwoordt: ‘Dat denk ik niet, maar onze kinderen wel’…
Deze Wim Daniëls nu heeft een boek geschreven met de simpele, doch doeltreffende titel Het Dorp en u kunt het invullen – het boek loopt als een tierelier en stormde in geen tijd de top-10 van de boekenhitlijst binnen. Daniëls appelleert aan een gevoel dat breed gedragen wordt. Het verlies van gemeenschapszin, het vertrek van herkenbare symbolen als het postkantoor en de buurtsuper, de eigenzinnige identiteit van een groep mensen dat in zijn biotoop uniek is. We herkennen het allemaal, dat gevoel dat langzaam en ten onrechte verdwijnt en we willen dat het niet alleen herkend, maar ook erkend wordt.

Begerenswaardig
Nu is Wim Daniëls van Aarle-Rixtel, Noord-Brabant. Hij is dus niet afkomstig uit de Moeder aller Dorpen: ons eigen Winterswijk. Te midden van al het moois is het meest begerenswaardige van Winterswijk dat het een gemeente is die in mijn jeugdjaren al 26.000 zielen telde en toch geen stad heet maar gewoon een dorp. Bij een dorp denkt de gemiddelde Nederlander aan een dorpsstraat, een woonwijkje, wat winkels, een kroeg, een kerk en 1500 inwoners. Winterswijk telde in de sixties en seventies al 26.000 hoofden (oké met de buurtschappen er bij, maar toch).
Een van de mooiste Winterswijkse gezegden is de volgende. Een Winterswijker woont in de schildersbuurt, de bomenbuurt of voor mijn part in de bloemenwijk. Als hij naar de Hema gaat, dan gaat hij naar – daar komt-ie – het dorp. Winterswijk heeft geen centrum, het centrum is het dorp. Nu nog kan ik in mijn huidige woonplaats op de fiets stappen richting centrum en dan zeg ik: ‘Ik ga even naar het dorp, een boodschap doen’.
En verdikkeme, ook andere Winterswijkers die de kern van ons fraaie oord opzoeken, hoor ik echt zeggen: ‘Ik ga naar het dorp’. Het is onze gemeenschappelijke taal, van Winterswijkers die hun leven lang in de gemeente zijn blijven wonen en die Winterswijkers die zijn uitgewaaierd in de diaspora. Ze delen dezelfde uitdrukkingen. Ze zijn in hun hart Winterswijkers voor altijd.
Ze delen ook een educatieve geschiedenis, althans zij die in de eerste dertig jaar na de oorlog opgroeiden; de scholen met alleen een letter als naam. Wat zijn wij Winterswijkers toch een zeldzaam slag mensen met onze school C, M, N en O (en misschien vergeet ik nog wel een letter). Zelf mocht ik een jaar op school O vertoeven in een gebouw dat voor mijn gevoel stamde uit de tijd dat de Fransen nog de scepter in dit land zwaaiden. Ik ruik nog de muffe geur in de gangen, de zweetlucht van de kinderen; odeur van een onbezorgde jeugd.
Buitengebied
Een dorp is ook pas een dorp als het een buitengebied van enige omvang heeft. Welnu, ik mocht onlangs vanaf deze plek al de lof bezingen op de buurtschappen en nu nog – als ik mijn ogen sluit – zie ik hoe mijn vader met mij achterop de fiets stopte bij een groot korenveld, ergens halverwege de jaren zestig. Hij wees naar een gigantisch voertuig op de akker. ‘Kijk jongen, een combine’. Vanaf dat moment dacht ik altijd dat Lennon en McCartney ‘Combine me love’ zongen in plaats van Can’t buy me love.
Hoe groot we ook zijn, we hebben wel een Volksfeest. Die naam alleen al, die hoort bij een dorp. Het Volksfeest wordt ook nooit uitgeroeid, zal alle stormen van de moderniteit overleven. De plaatsgenoten uit de diaspora komen massaal voor twee dagen terug, zoals Gerrit Komrij voorheen, zo herinner ik mij nog van een jaar of veertig geleden (de laatste keer dat ik het Volksfeest bezocht, ja mensen ik houd nu eenmaal niet van feesten maar in gedachten ben ik de laatste vrijdag en zaterdag van augustus steevast bij jullie).
Onuitwisbare types
Een dorp heeft ook pas recht op de term dorp als het onuitwisbare types binnen zijn gemeentegrenzen heeft; lieden die iedereen kent ook al zijn we – daar gaat hij nog maar een keertje – met bijna 30.000. In mijn jaren waren dat Henkie van Wees (die om een of andere merkwaardige reden Hennie heette en volgens mijn moeder geen normale haren had maar een zuurkoolkapsel), Rooie Hinderiks en Marty Sikkes. Maar bovenal moet een echt dorp ook een held hebben, iemand van onweersproken moreel gedrag, een licht in de duisternis, een baken waarop de samenleving vaart. Zo iemand heeft Winterswijk ook, sterker nog, progressief als wij zijn, hebben wij een vrouw: Tante Riek. Dit land heeft nog nooit een vrouwelijke premier gehad (en maar de mond vol hebben over gelijke rechten), maar wij hebben wel Tante Riek. Ook in dit opzicht komen de wijzen uit het oosten.
Maar bovenal is dit dorp mijn dorp vanwege de karakteristieke kenmerken in het hart: de Markt, de kerk, de kinderkopjes van destijds in de Ratumsestraat, de winkels er om heen, de gammele deur van Albrecht – de mooiste boekenzaak die ooit, ooit, ooit ergens ter wereld heeft bestaan, Het Zwaantje, Stad Munster: alles, alles deugt. Ooit huisde links van Stad Munster, richting Misterstraat, zuivelwinkel Nico Wassink, die later een cafetaria begon want dat kon allemaal in mijn geliefde Winterswijk – van melkboer tot patatbakker. Het is al zo’n tien jaar geleden dat ik het laatst daar liep. Ik hield even halt en keek naar boven. Want op de hoogste etage van het pand kwam ik in 1959 ter wereld en heb ik het eerste half jaar van mijn leven doorgebracht.
Een eeuw geleden telde Nederland 1100 gemeenten, nu zijn dat er nog 335. Romantici noemen dat dodelijk voor de dorpscultuur maar ik denk dat een formeel, ambtelijk, institutioneel besluit niets te maken heeft met het dorpsgevoel. De liefde voor het dorp zit in je lijf, zoals Wim Daniëls zijn Aarle-Rixtel door zijn aderen voelt vloeien. In je hart, in je bloed, in je rechter hersenhelft waar de emoties rondwoelen en jouw Winterswijk vorm krijgt. Ook al zouden de autoriteiten ooit besluiten dat er een gemeente Oost-Achterhoek wordt gevormd, het dorp Winterswijk – ons dorp Winterswijk, de Moeder aller Dorpen – pakken ze ons nooit meer af.
André Vis (Winterswijk, 1959) is publicist en was onder meer sport- en hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia. Hij woont in Rijssen.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen