De winter was overzichtelijk voor de jongens van de bomenbuurt

20 december 2018

‘We konden niet schaatsen, maar maakten ons eigen Bislet’

 

Hoe kon je als kind van Winterswijk begrijpen dat het winter in Winterswijk was? Winter was sneeuw en ijs, bloemen op het slaapkamerraam, de kolenkachel die brandde, het lapje voor de brievenbus en te harde knolraapblokjes op het diepe bord, waarop de soepresten aan de rand nog zichtbaar waren. Maar het jaargetijde winter in de dorpsnaam?
Je had geen Zomerswijk of Herfstwijk, waarom wel Winterswijk?

 

Door André Vis

 

Wij, jongens van de bomenbuurt, voelden ons in het tweede deel van de jaren zestig bevoorrecht én benadeeld. Enerzijds had het de hoge heren behaagd om tussen de flats aan de Olmenstraat mooie grasveldjes aan te leggen en ofschoon er een keurig groen bordje, laag op een paaltje, stond met de boodschap dat het verboden was zich op het gras te begeven krachtens wetsartikel zoveel, was dit natuurlijk een paradijs voor ons jongens van de bomenbuurt. Jassen op de grond als doelpalen, even het gras checken op hondendrollen en daar rolde de bal, vier jaargetijden lang.

 

Met een schuin oog keken we naar de weg of agent Dollekamp er niet aan kwam fietsen. Eén keer stuurde de heer Dollekamp ons in zijn kenmerkende strengheid van het veld. We bleven op de stoep een kwartier wachten. Hij keerde niet terug en we begonnen opnieuw. De jongens van de bomenbuurt waren niet voor één gat te vangen.

 

Maar wij waren ook de getroffenen des dorps. Wanneer we voelden dat de koude toenam, op tv de weerberichten werden ingetekend en de meneer in het journaal met stift in de Achterhoek min 10 in de nacht aangaf, dan wisten we dat veel zou bevriezen, maar we wisten ook dat de ijsbaan voor ons jongens van de bomenbuurt onmogelijk ver weg was. Als we na schooltijd tegen vijven waren opgeslokt door de duisternis, dan was het uitgesloten dat onze moeders ons helemaal naar de ijsbaan lieten gaan. Nog verder dan het strandbad, in de vrieskou – dat was veel te gevaarlijk.

 

In de herinnering doemt het beeld op van een dichtgevroren plasje tijdens de aanbouw van de nieuwe wijk achter de flats; ergens halverwege de jaren zestig. Wij waren net de kleuterstatus ontgroeid en al hadden we willen schaatsen op dat plasje, dan nog ging het niet. Het was bezet door een horde jongeren die veel ouder waren dan wij en zo fors in getal waren dat er zelfs niet een minuscuul plekje overbleef voor ons kinderen in de leeftijd van een jaar of zes, zeven.

 

De jongens van de bomenbuurt praktiseerden het niet, maar praatten des te meer over schaatsen; op de momenten dat ze rustten na een partijtje van een half uur op het diep bevroren grasveld tussen de flats dat zo hard was dat elke valpartij leidde tot een kneuzing in heup of rug. Dan namen ze de resultaten door van de Olympische Spelen in Grenoble 1968. De 5000 meter was gewonnen door Fred Anton Maier voor Kees Verkerk en Peter Nottet. Peter Nottet, de vleesgeworden nobody; de man die wij schertsend Peter Snottet noemden, de man die ineens een superdag had. Derde; hoe kon het?

 

Er zijn meer oudere jongeren van Winterswijkse origine die niet kunnen schaatsen (velen kunnen ook niet zwemmen maar dit terzijde). Vaak zijn zij geboren tussen 1945 en 1960. Ik sprak ze later overal in het land en het gaf een grandioos gevoel dat gedeelde smart in dit geval halve smart was. Winterswijkers onder elkaar in de diaspora; wat delen we toch veel lief en leed!

 

Het is ook zo typerend dat het leed nooit lang stand hield. Winterswijkers proeven op hun tong vooral het zoet van die gouden jaren zestig en zeventig.

Zo ook de jongens van de bomenbuurt. Want de nieuwe wijk achter de flats verrees alras met welluidende namen als Abeelstraat, Acacialaan, Cypresstraat en nog zo wat nieuwerwetse bomennamen die sterk detoneerden met ouderwetse elzen, olmen, kastanjebomen, wilgen en iepen waar onze straten naar waren genoemd. Maar ze boden ons nieuwe kansen, want creatief als we waren, kwam er een alternatief voor onze gemiste schaatskansen: de rolschaats.

 

De rolschaats stelde ons in staat iets te voelen van dat wat Verkerk, Schenk en Maier voelden als we ze zagen glijden op Bislet of in het Ullevi-stadion in Gothenburg; op de zwart-wit tv met commentaar van Bob Spaak. We besloten ons eigen Bislet te creëren in de nieuwe wijk, want – oh wat een wonder – er lagen prachtige asfaltwegen met de Acacialaan als start en finishplaats. We reden eerst richting Kloetenseweg, linksaf de Prunusstraat in, linksaf de Cypresstraat in, linksaf Cederstraat en nogmaals links, weer terug op de finishstraat.

 

We waren the king of the road. Auto’s zag je niet; de straat was voor de jeugd. Als de sneeuwvlokken vielen keken we teleurgesteld, totdat er genoeg lag voor een glijbaan en de rolschaatsen al weer waren vergeten. Desnoods sloten de jongens van de bomenbuurt nog af met een wedstrijdje bij de flats, want voetballen op een sneeuwlaag was interessant. Het vroeg weer andere vaardigheden, die tegenwoordig in managementjargon skills heten maar ook dit terzijde.

 

Het was ook de tijd dat er sneeuwhutten en reusachtige sneeuwpoppen werden gebouwd, midden in de Elzenstraat. Gestrooid werd er nauwelijks, de weg hadden we als jongens van de bomenbuurt geblokkeerd met onze artistieke winterse bouwwerken maar dat deerde niemand. Auto’s wilden niet starten en als ze dat deden, dan reden ze niet door de sneeuwwallen van de Elzenstraat en als ze toch ongehoorzaam wilden zijn, dan dienden ze voorzichtig over de trottoirs te schuifelen ten einde onze bouwwerken niet te beschadigen.

Winter was overzichtelijk. Je hoefde je niet druk te maken over wintersportvakanties want dat was helemaal niet aan de orde in onze bomenbuurt rijtjeshuizen. Je kon op de buis Jean-Claude Killy bekijken zaterdagochtend bij de olympische afdaling in Grenoble (op het eerste net, zoals dat toen heette). Dat was skiën. Geen wintersportvakantie dus ook geen stress over files op Duitse of Oostenrijkse snelwegen, winterbanden en sneeuwkettingen; geen gipsvluchten, alle opwinding van de huidige welvaartstijd ging gelukkig aan ons voorbij.

 

Wij jongens van de bomenbuurt genoten van onze winters op onze eigen manier: voetbal, rolschaatsen, sneeuwpret. En als je moe maar voldaan en toch ook verkleumd om half zes thuiskwam, dan stond een dampende pan boerenkool op tafel. En het lekkerst was de opgewarmde boerenkool want die deed moeder in een stokoude koekenpan die gelukkig nog geen anti-aanbaklaag had zodat er een fijnzinnig korstje op de kool kwam. En wat doet men vandaag de dag? Boerenkool opwarmen in een magnetron. Zo diep zijn we met ons allen gezonken.

 

Inderdaad, waar zijn ze gebleven die ouderwetse winters? De jongens van de bomenbuurt van destijds zijn thans rond de zestig maar als ze hun ogen sluiten zien ze de winters van toen herleven: in al zijn pracht en praal.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen