Grote expositie over begenadigd en eigenzinnig schilder

31 maart 2018

Max van Dam en zijn vlucht voor de nazi’s

 

Vereniging Het Museum organiseert in dit Jaar van Verzet een grote tentoonstelling rond het werk van de in Winterswijk geboren Joodse schilder Max van Dam. Vrijdag 1 juni wordt de expositie geopend, die op meerdere plekken in Winterswijk en Aalten te zien is. Wie was Max van Dam? Hoe verliep zijn vlucht voor de nazi’s naar Zwitserland en hoe kwam hij aan zijn eind in het vernietigingskamp Sobibor? Hans Tenbergen (bekend van de site oudwinterswijk.nl) dook in Van Dams verleden.

Door Hans Tenbergen

Max van Dam wordt op 19 maart 1910 geboren in Winterswijk, als zoon van Aron van Dam en Johanna Leviticus en broer van Roosje (1911) en Henriëtta (1921). Het gezin woont dan op de Wooldseweg 8. Aron werkt bij Zwanenberg bij het voormalige Fortuna-veld, maar wordt later directeur van coöperatie De Dageraad. In 1919 komt hij voor de SDAP in de gemeenteraad. Hij schuwt niemand. Ook niet zijn geloofsgenoot maar politiek tegenstander, de liberale wethouder Poppers, die hij in 1921 van valse belastingaangifte beschuldigt. Hij maakt dus niet altijd vrienden, zoals ook de latere burgemeester dr. W. Bos geen vriend van hem zou worden.

Intussen is het gezin verhuisd naar de Groenloseweg 27. De kinderen bezoeken de Nutskleuterschool op de Zonnebrink en school L op de Sleeswijk. De Van Dams zijn niet alleen socialistisch, maar ook sociaal. Vaak helpen ze arme mensen.


Eigenzinnig
Max mag graag lezen. Resultaat voor zijn studie (aan de RHBS, 1922-1929) levert dat echter niet op. Hij moet de vierde en de vijfde klas overdoen. Zelfs zijn cijfers voor tekenen zijn niet geweldig: zesjes, soms een vijf en vaak een zeven. Maar op zijn eindexamenlijst prijkt ineens een negen.
Max en zijn ook bekende leraar/tekenaar/schilder Marius Johan van Dugteren zijn het niet altijd eens over Max’ artistieke eigenschappen. Max: “Ik heb geen zin om sigarenkistjes te tekenen, ik ga liever mijn eigen gang.” Ook later krijgt de eigenzinnige Max hier met andere opleiders problemen over.

Wie wel van Max gecharmeerd raakt, is dr. Jaap Hemelrijk, een geboren Winterswijker, SDAP-er, leraar en schrijver. Vader Aron voelt er weinig voor om Max een kunstopleiding te laten volgen, maar Hemelrijk overreedt hem om Max schilderkunst te laten studeren in Amsterdam. Directeur van zijn opleiding is Huib Luns, de vader van de grote Joseph Luns, secretaris-generaal van de NAVO.

Max’ grote voorbeelden zijn Vincent van Gogh en Käthe Kollwitz, die de kunstwereld shockeerde met schilderijen van minderbedeelden en onderdrukten. In 1934 maakt Max voor het bedrijf van zijn vader, De Dageraad, het bekende glas-in-loodraam. Dat werk schiet Luns door de politieke afbeelding echter in het verkeerde keelgat en hij laat Max vallen.
Max houdt het voor gezien in Nederland en verhuist naar Antwerpen. Hij gaat er studeren aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, onder leiding van de bekende portrettist Isidoor Opsomer. Onder andere door geldgebrek woont hij in bij de familie Waisvisz-Reich. Hij houdt intussen een goed contact met Jaap Hemelrijk, die dan rector is in van het gymnasium in Alkmaar en Max steunt waar hij kan.

Max gaat in 1936 op studiereis. Alleen naar Italië. Eerst naar Venetië, de stad van kunst en gondels. In Italië bezoekt hij veel tentoonstellingen en verdiept zich in de kunstgeschiedenis vanaf de renaissance.

Op 2 maart 1937 is Max terug in Winterswijk en houdt een tentoonstelling van zijn werk in Sociëteit De Eendracht, waar Jaap Hemelrijk de opening mag verrichten. Maar veel werk verkoopt hij er niet: slechts drie tekeningen.

Jodenhaat
De toestand in Europa, met het opkomende nationaal socialisme en de Jodenhaat vanuit Duitsland, houdt Max erg bezig. De Joodse schrijver Jacob Hiegentlich (1907) is inmiddels een goede vriend. Hiegentlich draagt zijn roman ‘Onbewoonbare wereld’ aan Max op. Het boek gaat over ‘de opkomst van de NSB en de alles verdrukkende, cultuurverstikkende bedreiging van de mentaliteit die met deze fascistische organisatie samenhangt’. De hoofdpersoon in de roman pleegt zelfmoord. Ook Jacob zelf maakt een einde aan zijn leven tijdens het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam. Hij wil het allemaal niet meer mee maken.

Max verkeert steeds vaker in kringen die zich sterk bewust zijn van de gevaren van nazi-Duitsland. Hij voert veel gesprekken met Fré Cohen en Jaap Hemelrijk. Het socialisme, het zionisme, het Marxisme en het Joodse zelfbewustzijn zijn de terugkerende thema’s.

Prix de Rome
Max raakt in de war. Hij komt zelfs in aanvaring met Opsomer tijdens een tentoonstelling, waar hij zijn zinnen had gezet op de befaamde Prix de Rome, een prestigieuze prijs voor talentvolle schilders en architecten in Nederland. Het loopt volledig uit de hand en aan de relatie met Opsomer komt een eind. Max stuurt Hemelrijk een brief met wat er allemaal gebeurd is en zegt dat ‘alles wel weer goed komt’. Hij gaat er vandoor, richting Frankrijk. Eerst Parijs. Daar verdiept hij zich in de kunst en ook Hemelrijk bezoekt hem daar nog. Ook leert hij hier een Duits meisje kennen, die fel anti-nazi is. Hij reist en tekent veel en half augustus 1937 bereikt hij Collioure, een schilderachtig plaatsje aan de Spaanse grens. Daar treft hij vele kunstenaars. Hier hoopt hij nieuwe inspiratie op te doen. Zijn vader in Winterswijk gebiedt hem echter direct terug te komen. Op terugreis doet hij Parijs weer aan om enkele tentoonstellingen te bekijken. Ook is hij van plan Antwerpen te verlaten en zich in Amsterdam te gaan vestigen, waar hij zich kan gaan voorbereiden op deelname aan de door hem begeerde Prix de Rome.

In november 1937 vraagt Max of hij bij Hemelrijk in mag trekken in Bergen. Daar krijgt hij een klein schuurtje dat zijn atelier wordt. In april 1938 verhuist Max weer naar Amsterdam, want hij wíl de Prix de Rome. De opdracht luidt: een schilderij met een scène uit het Oude Testament. Een groot doek met een volwaardig mondeling examen in de vakken iconografie, klassieke mythologie, perspectief, anatomie, esthetica en kunstgeschiedenis. In mei haalt hij het voorbereidend examen en mag hij deelnemen aan de prijs.  In oktober heeft hij zijn schilderij ‘Hagar en Ismaël’ klaar. Max wint de tweede prijs, de zilveren medaille. De jury heeft besloten dat jaar geen gouden en bronzen medaille uit te reiken. Het doek hangt tot 1942 in zijn atelier in Amsterdam. Wat er daarna mee gebeurd is, is niet bekend.

Max voelt zich gesteund door alle positieve publiciteit en zit boordevol plannen. Maar in 1939 verlaat hij Amsterdam vanwege de Duitse inval in Polen en de dreiging van de nazi-terreur. Max gaat weer naar Frankrijk, Collioure. Dat verblijf is echter van korte duur, aangezien in Nederland de mobilisatie is afgekondigd en hij de terugweg aanvaardt. Terug in Nederland leert hij het echtpaar De Jong-Weil uit Hengelo kennen. Hans de Jong is textielfabrikant en geeft Max enkele opdrachten. Zijn vrouw Alice is van Joodse afkomst.
De jaarwisseling 1939-1940 brengt hij door bij Hemelrijk in Bergen. In 1941 woont Max in Amsterdam aan de Zomerdijkstraat. Jaap vraagt Max een aantal Winterswijkse stadsgezichten te maken. Max’ ouders en zusjes hebben Winterswijk inmiddels verlaten en wonen in Amsterdam, in de hoop hier in de anonimiteit van de massa op te gaan.

Vlucht
Op 22 maart 1941 krijgt Max het ‘bewijs’ dat hij ‘van Joodschen bloede’ is. De Jodenvervolging krijgt steeds meer vorm en er moet ondergedoken worden: Max en Alice Jong-Weil duiken onder in Blaricum. Maar het wordt te gevaarlijk en in de zomer van 1942 besluiten ze naar Zwitserland te vluchten, samen met Alice’s dochtertje Jacqueline. Eerst met de fiets richting het zuiden, waar ze zonder problemen de Belgische grens bereiken. Vandaar met de trein naar Parijs en door naar Vichy, want die stad is nog niet bezet door de Duitsers. Maar wat ze op dat moment niet weten is dat Vichy net ingenomen wordt door Duitse troepen. Ze hadden van een bevriende Franse arts een brief meegekregen dat het ‘gezin’ moet aansterken in de Franse Alpen.
Eindelijk komen ze aan in Besançon en vandaaruit gaan ze oostwaarts richting Zwitserland.
Met hun contactman spreken ze af dat ze met de autobus verder rijden naar Pontarlier in de Alpen. Daar aangekomen rijdt de chauffeur echter het hotel voorbij en brengt ze naar een ander gebouw, waar de Sicherheitsdienst ze al staat op te wachten. Ze worden gearresteerd en langdurig verhoord. Hun bagage wordt in beslag genomen en de SD ontdekt een dubbele bodem in Max’ koffer, waar papieren en geld in verborgen zitten. Max moet zich uitkleden en wordt verder onderzocht. Ze concluderen dat hij Jood is.

Na het verhoor mag Alice met haar dochtertje naar het hotel. De jas wordt haar toegeworpen. Alice vraagt nog waar Max blijft en krijgt te horen dat hij al op transport is gezet naar Drancy, het Franse ‘Westerbork’ bij Parijs.

Sobibor
Op 23 maart 1943 wordt Max op transport gesteld naar Sobibor. Daar moet iedereen aangeven welk vak ze beheersen en Max geeft zich op als kunstschilder en Prix de Rome-winnaar.
Hij krijgt een kleine ruimte waar hij kan schilderen, niet wetende wat de dag van morgen brengt en in welk verwoestend kamp hij verblijft.
Gustav Wagner is hier de allerwreedste leider. Zonder pardon ga je naar de gaskamers, maar Max mag (vooralsnog) blijven.  Wagner en de eveneens walgelijke Karl Frenzel laten Max schilderijen maken. Frenzel laat hem zelfs een portret van hem maken.

Ineens ontdekt de kampleiding een plan voor een opstand onder de gevangenen onder leiding van de Nederlandse marineofficier Jacobs. Ze zijn woest en nemen op afschuwelijke wijze wraak. Alle Nederlandse mannen moeten aantreden, 72 in totaal. Ook Max. Frenzel loopt er langs en zegt: “Maler, komm’ raus’. Zijn portret zou nog niet af zijn. De andere 71 worden in kamp III naar de gaskamers gedreven en niemand komt er meer uit.

Op 22 september 1943 komt een nieuw transport aan van vooral Russische krijgsgevangenen. Een overlevende, de Russische luitenant Petsjerski, weet na de oorlog te vertellen dat Max toen al niet meer leefde. Niets hadden ze meer van hem vernomen. Hoe en wanneer Max precies overleden is, blijft een mysterie. Zijn overlijdensdatum wordt bepaald op 20 september 1943.

 

Gustav Wagner vluchtte na de oorlog naar Zuid-Amerika, waar hij zelfmoord pleegde.  Karl Frenzel werd in 1963 gearresteerd en in 1965 begon zijn proces. De rechter vroeg Frenzel naar het portret, maar die ontkende dat er een portret van hem gemaakt was. Wel zou Max een landschap voor hem hebben geschilderd. Ook vroeg de rechter hoe het verder was gegaan met Max van Dam. Frenzel: “Van Dam is tijdens de opstand om het leven gekomen. Hij heeft niet kunnen ontsnappen. Toch jammer van dat landschap, dat vernietigd is. Ik had het u graag gegeven.” Frenzel kreeg levenslang, maar kwam in 1985 vrij vanwege zijn leeftijd en gezondheid. Hij overleed op 2 september 1996.

Alice de Jong-Weil en haar dochtertje Jacqueline hebben de oorlog overleefd. Alice was gescheiden van Hans de Jong en had intussen een relatie met Max. Jacqueline is later weer in Nederland gekomen en volgde het lyceum in Enschede van 1952-1957.

Max’ vader Aron stierf op 17 september 1942 in Auschwitz, 61 jaar oud. Moeder Johanna Leviticus stierf op dezelfde dag in Auschwitz, 57 jaar. Max’ zus Henriëtta stierf op 30 september 1942 in Auschwitz. Max’ andere zusje, Roosje, overleefde de oorlog en overleed op 3 september 1992 in Amsterdam.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen