Jo Markerink zag de Tommy’s Winterswijk binnenkomen

25 maart 2020

Door Wim Ruesink
Jo Markerink-Lobeek wordt in april 94 jaar, maar is nog zeer helder van geest en heeft een fotografisch geheugen voor elk detail, zeker uit de bewogen dagen rondom de bevrijding van Winterswijk. We spreken haar als ze net haar auto voor de deur heeft geparkeerd bij haar appartement in het centrum van Winterswijk. Een bijzondere ontmoeting met een van de laatste ooggetuigen die de bevrijders ons dorp zag binnentrekken.
“De Tommy’s zijn er!”, roept vader Lobeek richting kelder. Het is zaterdag 31 maart 1945, zeven uur ‘s morgens in de woning van het gezin aan het Scholtenenk. De dan 18-jarige Jo, haar zus Mientje, moeder en nog een paar familieleden die kwamen schuilen, hadden de nacht doorgebracht in de kelder. “Vader was even poolshoogte gaan nemen en nadat hij ons riep – ik had de kleren aangelaten die nacht – rende ik achter meubelfabriek Knook langs naar de Vredensestraat.“
Daar ziet ze zes à zeven Tommy’s schichtig en op hun hoede de bocht omgaan richting Singelweg. “Ze waren lopend, volledig gecamoufleerd, dan kruipend en dan hollend de schuine kant van het gras op, dat er toen was bij het oude kerkhof. Het waren de allereerste bevrijders van Winterswijk.”
Oorlogsjaren
Jo woonde in de oorlogsjaren op het Scholtenenk. “We hebben geen grote narigheid meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog en we hadden ook geen honger. Ik had één zus , Mientje, en samen met mijn ouders hadden we het goed. Vader werkte bij lijstenmaker Van Ast. In de oorlogsjaren woonde tegenover ons een SS’er en die hield alles in de gaten. Ik trok mij er weinig van aan en dat leverde nogal eens angstige momenten op voor mijn ouders, als de betreffende man weer aan de deur stond. Zo trok ik mij namelijk niks aan van de spertijd (avondklok) en stond dan samen met een vriendin, Sini Treep, nog lang onder de Joan van der Breggen-poort op het Scholtenenk en dat zinde de man niet. Na de bevrijding is hij opgepakt. Ik had dit graag willen zien, maar hoorde het pas later. Nooit meer wat van de man gehoord. Bij mijn oom en tante hadden ze een radio verstopt en zodoende waren we op de hoogte van de naderende bevrijding.”
Blijdschap, afschuw en gevaar
“Toen we de eerste Tommy’s zagen ging er een enorm gevoel van blijdschap door mij heen. Ik had geen enkele voorstelling van hoe een Tommy eruit zag. Nou, van die eerste Tommy’s kon je trouwens nauwelijks een gezicht zien. Camouflagevlekken op het gezicht en takjes en bladeren rond de helm. Rond de middag gingen mijn vriendin en ik naar Den Helder, de watermolen vooraan in het Woold. De brug was kapotgeschoten en men was bezig een noodbrug aan te leggen zodat de tanks erover konden. Toen we bij Bausch (nu De Gulle Smid) kwamen, zagen we dingen die je niet gauw vergeet. Het hele interieur werd door plaatsgenoten in elkaar geslagen, men sprong boven op de piano en er werd van alles geroofd. Dit omdat er foute mensen zouden woonden. Ik hoop dat ze later spijt gekregen hebben om zo te keer te gaan en alles kapot te maken daar. We moesten op die 31e maart al om 14.00 uur weer binnen zijn, er dreigde namelijk nog steeds gevaar van de Duitsers. Die waarschuwing was er niet voor niks, zo bleek: twee Duitse soldaten op een motorfiets sneuvelden bij een vuurgevecht, hun lichamen werden naar School O gebracht. Een oom van mij, Johan Klomps, woonde in Miste. Hij ging op 31 maart naar bakker Berenschot in het Woold om te kijken of er brood was. Er lag echter een boom op de weg, hij liep er omheen via een zandpad en trapte op een landmijn. Eind april is hij aan de gevolgen overleden.”
Jo was zeker niet bang
In tegenstelling tot haar zus kende Jo nauwelijks enige angst en schroom tijdens de oorlogsjaren. “Ergens in 1944 fietste ik waar nu de nieuwe ijsbaan komt op de Kottenseweg. Ik hoorde vliegtuigen en iemand riep ‘schuilen!’ Ik gooide mijn fiets neer en sprong in een sloot. Even later kletsten de kogels vanuit een Engelse bommenwerper op de straat uiteen. Ik kon de gezichten van de Engelse bemanning in de bommenwerper zien. Ze hadden vast ergens vlakbij een doel gezien om te bombarderen.“
Zoals Jo al eerder memoreerde was er weliswaar geen hongersnood bij hen thuis, maar het was ook geen vetpot. Als er een kans was op wat extra, dan pakte Jo die. “In de Brinkheurne stond ter hoogte van bakkerij Huiskamp een Duitse vrachtwagen met broden er in. Mijn vriendin en ik stopten er gauw wat van in onze fietstassen. Thuisgekomen bleek het brood ontzettend vies te smaken, het bleek een soort zuurbrood te zijn. Later in Meddo hadden mijn vriendin en ik meer vreugde van onze daad. We zagen een vrachtwagentje met balen suiker erop. De Duitsers die erbij waren liepen weg. We zagen onze kans schoon, ik had niks bij mij om in te doen en gebruikte mijn hoofddoek als tas.”
Dansen
“Na de bevrijding ging ik met mijn vriendin dansen bij café Beskers aan de Kottenseweg. Je moest dan eerst een kaart van goed gedrag ophalen. Er mochten geen jongens naar binnen, de dansavonden waren louter bedoeld als ontspanningsavond voor de geallieerde soldaten. Die dansavonden duurden zeker nog een jaar, er kwamen steeds weer andere soldaten bij.”
Jo moet 75 jaar na de bevrijding helaas vaststellen dat het niet goed gaat in de wereld. “Als ik nu zie hoeveel discriminatie er is, en al die ellende in bijvoorbeeld Syrië, dat gaat niet goed, ik heb er een zwaar hoofd in.”
Op de afsluitende vraag wat Jo rond de bevrijding gaat doen, zegt ze: “Ik ga dan altijd naar de markt en bestel mij bij het restaurant van Hans ten Bergen een lekker advocaatje, zo vier ik de vrijheid. “


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen