Zorg over ouderenmishandeling

29 juni 2018

Uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) blijkt dat naar schatting ruim 1 op de 20 ouderen te maken heeft met een vorm van mishandeling. Omgerekend betekent dit dat ongeveer 170.000 van de 3,1 miljoen thuiswonende ouderen na hun 65ste slachtoffer zijn geweest van een vorm van ouderenmishandeling. De door ouderen zelf meest gerapporteerde vorm van ouderenmishandeling is financieel misbruik, gevolgd door psychische mishandeling en fysieke mishandeling.

Minister De Jonge (VWS) informeert de Tweede Kamer over deze problematiek middels een brief met daarin tevens een reactie op de resultaten van het actieplan ‘Ouderen in veilige handen, 2015 – juni 2018’.

Het onderzoek is uitgevoerd in drie in grootte variërende gemeenten, namelijk: • Rotterdam; als een van de G4-gemeenten;  • Tilburg; als middelgrote gemeente buiten de Randstad;  • en Boxtel; als kleine gemeente buiten de Randstad. Deze keuze is ingegeven op basis van praktische overwegingen die de haalbaarheid van een zo representatief mogelijk onderzoek vergroten. Zo is het voor de informantenstudie nuttig dat in de geselecteerde gemeenten een stevig netwerk bestaat van formele en informele partijen die kennis hebben van de problematiek van ouderenmishandeling. Van deze gemeenten is bekend dat professionals grotendeels bekend zijn met het herkennen van ouderenmishandeling door de aanwezigheid van bijvoorbeeld projecten omtrent ouderenmishandeling9, hetgeen de kwaliteit van het signaleren door informanten ten goede kan komen. Voor de interviewstudie vormt de 65-plusbevolking in de drie gemeenten samen een redelijke afspiegeling van de Nederlandse seniorenpopulatie, gelet op kenmerken als geslacht, leeftijd en inkomen.

66,6 procent van de slachtoffers zegt gevolgen van de ouderenmishandeling te ervaren. Zij beschrijven gevolgen in de emotionele sfeer (verdriet, last van stress, angst, woede e.d.), in de relationele sfeer (verlies van vertrouwen, verbroken contact) en in sociale relaties/omgeving (minder contacten, eenzaamheid, zich minder prettig voelen in hun woonomgeving). Het andere deel (33,3%) van de slachtoffers zegt geen gevolgen van de ouderenmishandeling te ervaren.

Circa twee derde van de slachtoffers heeft de gebeurtenissen met anderen besproken. Gesprekspartners zijn doorgaans de zoon, dochter en/of de partner. Professionals die het vaakst genoemd worden, zijn politie en de huisarts (of assistent). Slachtoffers die de gebeurtenissen niet met anderen bespraken, vonden het doorgaans niet nodig. Anderen waren van mening dat ‘het anderen niets aangaat’ of dat ‘het toch niet helpt’. Voor zover bekend, heeft 29,7 procent melding gedaan bij Veilig Thuis en/of politie.  Een derde van de slachtoffers heeft hulp gekregen zoals een doorverwijzing naar formele hulp zoals psychiater, psycholoog of verslavingskliniek. Daarnaast wordt hulp omschreven als ‘er samen over praten’, ‘het hart luchten’ of ‘advies gekregen om het te laten rusten’. Nog eens 11,1 procent geeft aan ‘enigszins’ hulp te hebben gekregen. Hulp is het vaakst geboden door een zoon of dochter van het slachtoffer, gevolgd door politie, en psycholoog of psychiater. 70,1 procent van de slachtoffers die (enigszins) hulp ontvingen, is van mening dat de ontvangen hulp voldoende was.

58,3 procent van de gerapporteerde plegers is man, 41,7 procent is vrouw. De plegers betreffen veelal een vriend(in) of kennis, een buurman of -vrouw, een broer of zus, of een zoon of (stief)dochter van het slachtoffer. Hoewel in alle gevallen sprake is van een pleger uit de sociale kring van het slachtoffer, is door de meeste slachtoffers niet expliciet blijk gegeven van afhankelijkheid van de pleger. Wel geven slachtoffers aan dat een deel van de plegers (23,4%) op één of meer manieren afhankelijk van hen is, meestal in financiële zin.


Deel dit bericht

Advertentie


Socialmedia

This message is only visible to admins.

Problem displaying Facebook posts.
Click to show error

Error: Server configuration issue

Gerelateerde artikelen